Vervallen eindtermen

 

vwo scheikunde 1

 

2007 = 2009

 

2008
Van Domein E, kenmerken van reacties Subdomein E2, Energetische effecten;
Van Domein F, Chemische techniek, Subdomein F1, Het maken van stoffen;
Van Domein G, Zuren en Basen, de subdomeinen G1 Toepassingen, en G2 Onderzoek.

2009 (zelfde als in 2004 en 2007)
Van Domein B, Stoffen, structuur en binding de subdomeinen Toepassingen, Processen/reacties, Atoombouw en periodiek systeem, Bindingstypen en eigenschappen (1-25), voorzover behorend tot het programma van scheikunde 1

 

vwo scheikunde 1,2

 

2007= 2009

 

2008
Van Domein G, Zuren en Basen, de subdomeinen G1 Toepassingen, en G2 Onderzoek.

2009 (zelfde als in 2004 en 2007)

Van Domein B, Stoffen, structuur en binding de subdomeinen Toepassingen, Processen/reacties en Atoombouw en periodiek systeem (1-11)

 

 

havo scheikunde

 

2004 t/m 2008

De beperking in de c.e.-stof voor scheikunde is in 2008 dezelfde als vanaf 2004

Subdomein B1 toepassingen (anorganisch) (eindtermen 1 en 2)

Subdomein C1 toepassingen van synthetische polymeren (eindtermen 14, 15, 16)

Subdomein C3 structuren van koolstofverbindingen
Van dit subdomein betreft de aanwijzing in hoofdzaak de eindtermen 41 en 43 (organische naamgeving), waarover geen vragen gesteld zullen worden. De examinering kan wel betrekking hebben op de andere eindtermen van dit subdomein, met de volgende aantekeningen:
- van eindterm 38 wordt bij de examinering niet verder gegaan dan structuurformules voor verbindingen met een onvertakte keten en hoogstens één karakteristieke groep
: (Dus bijvoorbeeld geen diënen en diolen.)
- van eindterm 39 wordt bij de examinering niet verder gegaan dan koolstofverbindingen met een onvertakte keten en hoogstens één karakteristieke groep
(Dus geen esters, maar wel bijvoorbeeld 2-propanol en 2-chloorpropaan, maar niet 2-methylpropaan.)
N.b
.: het proces van polymerisatie (eindterm 30 van subdomein C2) moet wel gekend worden.

Subdomein D3 structuren van biochemische stoffen (eindtermen 53 t/m 56)
(i.v.m. organische naamgeving)

Subdomein E3 evenwichten (eindtermen 68, t/m 71) In verband hiermee worden ook over de eindtermen 61, 67 83, 92 en 96 geen vragen gesteld, zal wat betreft de eindtermen 89, 90 en 95 de vraagstelling geen betrekking op zwakke zuren en zwakke basen en zal bij eindterm 95 ook niet naar buffers worden gevraagd. Tenslotte wordt aan eindterm 99 toegevoegd:
gebruikmakend van de betrekking pH + pOH = 14,00 (bij 298 K).

N.B.
In reactievergelijkingen geen verschil maken tussen oplossingen van sterke en zwakke zuren:
. een oplossing van salpeterzuur weergeven als H+ + NO3-
. een oplossing van azijnzuur weergeven als H+ + CH3COO-
. een oplossing van koolzuur weergeven als (2) H+ + CO32-

In reactievergelijkingen geen verschil maken tussen oplossingen van sterke en zwakke basen:
. een oplossing van natriumhydroxide weergeven als Na+ + OH-
. een oplossing van natriumacetaat weergeven als Na+ + CH3COO-
. een oplossing van ammoniak (ammonia) weergeven als NH3
. een oplossing van natriumcarbonaat weergeven als (2) Na+ + CO32-

Subdomein G1 toepassingen (eindtermen 85 en 86)

Subdomein H1 toepassingen (100 t/m 105)

Subdomein B1 toepassingen (anorganisch) (eindtermen 1 en 2)

Subdomein C1 toepassingen van synthetische polymeren (eindtermen 14, 15, 16)

Subdomein C3 structuren van koolstofverbindingen
Van dit subdomein betreft de aanwijzing in hoofdzaak de eindtermen 41 en 43 (organische naamgeving), waarover geen vragen gesteld zullen worden. De examinering kan wel betrekking hebben op de andere eindtermen van dit subdomein, met de volgende aantekeningen:
- van eindterm 38 wordt bij de examinering niet verder gegaan dan structuurformules voor verbindingen met een onvertakte keten en hoogstens één karakteristieke groep
: (Dus bijvoorbeeld geen diënen en diolen.)
- van eindterm 39 wordt bij de examinering niet verder gegaan dan koolstofverbindingen met een onvertakte keten en hoogstens één karakteristieke groep
(Dus geen esters, maar wel bijvoorbeeld 2-propanol en 2-chloorpropaan, maar niet 2-methylpropaan.)
N.b
.: het proces van polymerisatie (eindterm 30 van subdomein C2) moet wel gekend worden.

Subdomein D3 structuren van biochemische stoffen (eindtermen 53 t/m 56)
(i.v.m. organische naamgeving)

Subdomein E3 evenwichten (eindtermen 68, t/m 71) In verband hiermee worden ook over de eindtermen 61, 67 83, 92 en 96 geen vragen gesteld, zal wat betreft de eindtermen 89, 90 en 95 de vraagstelling geen betrekking op zwakke zuren en zwakke basen en zal bij eindterm 95 ook niet naar buffers worden gevraagd. Tenslotte wordt aan eindterm 99 toegevoegd: gebruikmakend van de betrekking pH + pOH = 14,00 (bij 298 K).

N.B.
In reactievergelijkingen geen verschil maken tussen oplossingen van sterke en zwakke zuren:
- een oplossing van salpeterzuur weergeven als H+ + NO3-
- een oplossing van azijnzuur weergeven als H+ + CH3COO-
- een oplossing van koolzuur weergeven als (2) H+ + CO32-

In reactievergelijkingen geen verschil maken tussen oplossingen van sterke en zwakke basen:
. een oplossing van natriumhydroxide weergeven als Na+ + OH-
. een oplossing van natriumacetaat weergeven als Na+ + CH3COO-
. een oplossing van ammoniak (ammonia) weergeven als NH3
. een oplossing van natriumcarbonaat weergeven als (2) Na+ + CO32-

Subdomein G1 toepassingen (eindtermen 85 en 86)

Subdomein H1 toepassingen (100 t/m 105)