Commentaar bij/n.a.v. havo-examen scheikunde 2017 1e tijdvak

 

Boven vraag 1:
Onzorgvuldig taalgebruik wat betreft micro/macro. Beter zou bijv. zijn: “In die verbinding komt Gd3+ voor. Door de magnetische eigenschappen van Gd3+ …”.

Onder vraag 1 wordt het Gd3+-ion wel consequent in een microcontext vermeld (gadodiamidedeeltjes en organisch deeltje).

Het gaat weer mis onder vraag 3 want daar is eerst sprake van Gd3+-ionen (micro) in gadodiamidedeeltjes (macro) maar daarna van Gd3+-ionen (micro) in gadodiamide (macro).

LD50 is een term op macroniveau, ionen hebben geen LD50.
Een correcte formulering zou gerealiseerd kunnen worden door hier (en in vraag 4) de toevoeging “ionen” (en deeltjes) weg te laten.

 

Onder vraag 8:

Eerst worden triglyceriden als tri-esters van glycerol en vetzuren gedefinieerd. Maar uit de zin erna zou je kunnen opmaken dat lijnolie óók nog vetzuren bevat: “… van de vetzuren in lijnolie …”.

Die onduidelijkheid had vermeden kunnen worden door niet “de” maar “die” vetzuren te schrijven.
Overigens bevatten niet vetzuur (macro) maar vetzuurmoleculen (micro) koolwaterstofgedeeltes en daarbij kun je inderdaad van C=C-bindingen spreken. (In vraag 10 gebeurt dat wel correct.)

 

Onder vraag 10:
Onzorgvuldig taalgebruik wat betreft micro/macro. C=C-bindingen reageren niet met zuurstof maar met zuurstofmoleculen.

 

Boven vraag 14:

Een elegantere formulering zou bijv. kunnen zijn: “De eerste stap bij het oplossen van calciumchloride in water kan op microniveau worden voorgesteld als het verbreken van ionbindingen.

 

Vraag 14:
De manier waarop het antwoord genoteerd moet worden laat niet (zo makkelijk) toe dat zowel de binding van Ca2+-ionen als ook de binding van Cl-ionen met watermoleculen genoemd wordt.

Kennelijk wordt de algemene aanduiding “ionen” bedoeld maar dan zou ook de binding daarvan met “moleculen” zonder de specificatie “water” volledig goed gerekend moeten worden.

 

Onder vraag 14:

Onzorgvuldig taalgebruik wat betreft micro/macro.
“Het monomeermolecuul van natriumalginaat (of: het deeltje waarmee natriumalginaat op microniveau kan worden voorgesteld) heeft dezelfde structuur als een glucosemolecuul.”

“… schematisch op microniveau weergegeven:”

“Het oplossen van natriumalginaat in water kan worden voorgesteld als het vrijkomen van natriumionen en alginaationen.”

 

In vraag 15:

Onzorgvuldig taalgebruik wat betreft micro/macro.
Niet alginaationen maar alginaat. (Vergelijk met (poly)fosfaat in opgave Bio-P.)

 

Onder vraag 15:

Onzorgvuldig taalgebruik wat betreft micro/macro.
“De gel kan op microniveau worden voorgesteld met ….”
In de tekening wordt (door het rechthoekje) de suggestie gewekt dat je met een (heel goede?) microscoop de microvoorstelling rechts in de tekening zo zou kunnen zien.

 

Antwoordmodel van vraag 15:

Ca2+ maakt onderdeel van de gel uit dus hoeft Ca2+ niet per se door de gel heen, het alginaat kan ook met Ca2+ uit de gel binnenin (nieuwe) gel vormen. Ca2+ kan dan weer van buiten aangevuld worden.

Niet Ca2+-ionen (micro) maar Ca2+ (macro) dringt door de gel (macro).

 

Boven vraag 21:
Fragmenten hebben geen structuurformule, dus bijv. “Een gedeelte van de structuurformule van PHB …” (Zie bijv. onder vraag 25.)

Boven vraag 29:

Onzorgvuldig taalgebruik wat betreft micro/macro.
Stoffen bevatten geen groepen.
Mag de aanduiding “fenolgroep” bekend verondersteld worden? Dat werkt kennelijk anders dan bij methyl(groep) en methaan?

Vraag (en antwoordmodel) 32:

Een antwoord als “watermoleculen zitten met H-bruggen vast aan sacharosemoleculen” beschrijft de binding van water en sacharose op microniveau voldoende. Eigenlijk is alleen de formulering “met H-bruggen” ook al genoeg.
Waarom moet daar nog bij dat in sacharosemoleculen OH-groepen voorkomen? En waarom dan weer niet dat watermoleculen ook OH-groepen bevatten? Dat zit impliciet allemaal in “met H-bruggen”. Als je  wilt weten hóe of wáar die H-bruggen gevormd worden zou je dat moeten laten tekenen.

 

Vraag (en antwoordmodel) 35:
Bij een verklaring van het (niet) bruin worden zou je in ieder geval iets over het (niet) ontstaan van melanine verwachten.