Commentaar bij/n.a.v. havo-examen scheikunde 2016 1e tijdvak

 

De eerste opgave “Amber” begint met een tekstfragment maar het is niet duidelijk wat daarmee moet gebeuren. In de rest van de opgave wordt er niet naar verwezen en voor de beantwoording van de vragen is het ook niet nodig om het tekstfragment gelezen te hebben.

 

Vraag 1

Er wordt gevraagd wordt naar een begrip op microniveau in het antwoord maar niet in de uitleg. Maar wat dan te doen met een correcte uitleg op macroniveau waarbij ook nog een begrip op microniveau vermeld is?

Bijvoorbeeld: “Het oppervlak wordt groter. Dus er lost per seconde meer geurstof op. Stoffen worden op microniveau voorgesteld met deeltjes.”

Beter: “Gebruik in je uitleg minstens één begrip op microniveau.”

 

Vraag 4

Geurdrempel, en de bijbehorende eenheid, is een voor leerlingen onbekende grootheid. Boven vraag 3 wordt alleen de grootheid geïntroduceerd maar niet de eenheid.
De vraag was duidelijker geweest als boven vraag 3 bijvoorbeeld was toegevoegd: “De concentratie van de geurdrempel wordt uitgedrukt in de eenheid cm3 (geurstof) per m3 (lucht).” (Vergelijk met de omschrijving van energiedichtheid én bijbehorende eenheid boven vraag 13.)

Door de formulering “1,0 mol damp heeft een volume van 2,45.10-2 m3” lijkt het begrip “molair volume” bekend verondersteld te worden maar dat behoort voor havo niet tot de examenstof.
Beter: "1,0 mol ambroxdamp heeft een volume van 2,45.10-2 m3”. 

 

In de opgave ‘Groene’ airbag” is weer sprake van een tekstfragment met nummer 1 (en later in het examen ook nog).

Waarom worden de vragen wel doorgenummerd en de tekstfragmenten (en de figuren) niet?

 

Vraag 9

Waarom wordt een van de op grond van de tekst boven vraag 8 meest voor de hand liggende verschillen “verschil in sterkte” bij de voorbeeldantwoorden niet genoemd?

Waarom is crosslink (tussen N-H’s van twee nylonketens en een dizuurmolecuul) niet goed?

 

Vraag 10

In de voorbeeldantwoorden worden niet alleen stof- maar ook materiaaleigenschappen genoemd. Dat zou dan ook in de vraag moeten staan, bijvoorbeeld “… stof- of materiaaleigenschappen …”

Gezien de context “groene chemie” had hier een vraag voor de hand gelegen over de groenheid van deze nieuwe airbag (bijv. vergeleken met de huidige airbags.

 

Boven vraag 11

De tekst boven deze figuur 1 is niet compleet/correct: omzettingen zijn niet alleen met de formules bij de elektroden weergegeven maar ook met de pijlen.
De gebogen pijl in de figuur is niet een voor leerlingen bekende (reactie)pijl: daar hadden evenwichtspijlen
D of (misschien in dit redoxgeval nog wel beter) een symbooltje zoals in BINAS-tabel 48 moeten staan. Bovendien stelt de gebogen pijl hier een reactiepijl voor en de pijl bij H+ een “verplaatsingspijl”.

De term “halfcel” komt niet in de syllabus voor en had dus omschreven moeten worden.

Inconsequent taalgebruik wat betreft micro/macro: de ene elektrolyt wordt op microniveau beschreven en de andere op macroniveau.

 

Boven vraag 12

Door de formulering lijkt het dat zowel tijdens het opladen als tijdens het  stroom leveren de H+-ionen in dezelfde richting bewegen namelijk “van de ene naar de andere halfcel”.

 

Vraag 12

Waarom is een antwoord zoals cursief onderaan in het correctievoorschrift niet gewoon goed?

 

Vraag 13

Niet “1 mol elektronen komt overeen met 38 Wh” maar “de energie van 1 mol elektronen komt in dit geval overeen met 38 Wh”.

Waarom is het antwoord zoals cursief onderaan in het correctievoorschrift niet gewoon goed of zelfs beter volgens de gegeven definitie van energiedichtheid: per kg elektrolytoplossing? Beide elektrolytoplossingen zijn toch nodig?

 

Vraag 14

Zie al het commentaar wat geleid heeft tot een aanvulling op het correctievoorschrift.

Ook n.a.v. deze context had een groene-chemie-vraag gesteld kunnen worden.

Vraag 15

Waarom is groene-chemie-uitgangspunt 1 “minder afval” niet voldoende als reden (zie verslag van de eindexamenbespreking)?

 

Vraag 17

Er is niet sprake van één scheidingsmethode dus had (bijvoorbeeld) gevraagd moeten worden naar (de naam van) een scheidingsmethode die wordt toegepast in ruimte II.

 

Vraag 19

Waarom is stank geen ongewenst effect (op de luchtkwaliteit)?

 

Boven vraag 20

Inconsequent taalgebruik wat betreft micro/macro:

t/m eerste liggende streepje macro; tweede en derde liggende streepje micro; vierde liggende streepje macro.

 

Vraag 20

“… onderstaande stoffen …” moet (bijvoorbeeld) zijn “… onderstaande (opgeloste) stoffen en oplossingen …”

 

Boven en in vraag 30

Onjuist taalgebruik wat betreft micro/macro: “mucinemoleculen/polysacharideketens hebben het vermogen om watermoleculen te binden” of “mucine/polysachraide heeft waterbindend vermogen”. (Onder vraag 32 staat dat wel correct vermeld.)

 

Onder vraag 30

In eiwitketens van mucinemoleculen komen geen aminozuren voor, hoogstens aminozuurmolecuulresten of -delen.

 

Onder vraag 31

Mucinemoleculen vormen crosslinks door reactie met zuurstofmoleculen.

 

Vraag 32

Het stukje “reactievergelijking” staat irritant hoog op een verder lege uitwerkbijlage waardoor een voor de hand liggend(e weg naar een)  antwoord zoals hieronder lastig(er) te geven is.




 

 

 

 

 

 

Vraag 33

Boven vraag 32 staat dat moleculen van twee verschillende mucinemoleculen door reactie met zuurstof crosslinks met elkaar vormen maar niet dat het resultaat dan ook weer (een) mucine is(?) of genoemd kan worden.
Net boven vraag 33 staat (analoog aan de tekst bovenaan blz. 15 van het examen) dat mucine een groot waterbindend vermogen heeft.

Leerlingen kunnen niet weten dat ze in vraag 33 een verklaring moeten geven voor het niet oplossen van het spul (mucine?) waarvan de moleculen door crosslinks zijn gevormd.

Aan de zin “Toch lost mucine niet op in water.” had iets toegevoegd moeten worden in de trant van “Toch lost het mucine dat op de boven vraag 32 beschreven manier/door crosslinking is gevormd, niet op in water.” Maar ook dan is dubieus of zoiets wel aan een havo-leerling gevraagd mag worden.