Commentaar bij havo-examen scheikunde 2015 eerste tijdvak

Boven en bij vraag 1
In de syllabus komen de termen enkelvoudig en meervoudig (onverzadigd) niet voor. Die termen mogen dus zonder explicitering niet gebruikt worden en dus mag vraag 1 (zo) niet gesteld worden.
De indeling in de typen verzadigd en onverzadigd was hier voldoende geweest en de vraag had dan hetzelfde kunnen blijven.

Bij antwoordmodel van vraag 2
Vierde liggende streepje: druppel(tje)s is niet per se een aanduiding op mesoniveau maar (ook) op macroniveau.
Vijfde liggende streepje: op microniveau ziet een mengsel er altijd heterogeen uit want je tekent de atomen/moleculen apart, die kunnen niet “door elkaar” zitten; probeer maar eens een (homogene) keukenzoutoplossing op microniveau te tekenen.
Homogeen en heterogeen zijn termen op macroniveau.

Boven vraag 3
Hydrofoob en hydrofiel zijn termen op macroniveau: stoffen zijn hydrofoob of hydrofiel. Op microniveau kun je dat verklaren met apolaire respectievelijk polaire moleculen. En dat een emulgator zowel hydrofoob als hydrofiel is kun je op microniveau verklaren met een (in dit geval) apolaire “staart” en een polaire “kop” in het molecuul.

Jammer dat micro- en macroniveautermen onzorgvuldig gebruikt worden waar micro/macro toch een speerpunt is in het nieuwe examenprogramma.

Bij vraag 3 en uitwerkbijlage
Erger is dat leerlingen in de tekening op de uitwerkbijlage microniveaudeeltjes moeten steken in macroniveaudruppeltjes, terwijl we nu zo juist graag willen dat ze macro en micro kunnen onderscheiden.
Om (op microniveau) de werking van de emulgator te kunnen verklaren/tekenen zouden ook water en olie op microniveau moeten worden voorgesteld.Leerlingen die hier niks (willen) tekenen zouden beloond moeten worden!

Bij vraag 4 en figuur 2 daarboven
De stippeltjes tussen H en O en tussen C en OH zijn verwarrend. Uit de berekening van de molaire massa van maltodextrine in het antwoordmodel blijkt dat het een atoombinding moet voorstellen maar dan zou het een ononderbroken streepje moeten zijn (zoals het kleine stukje net onder de C naar het stippellijntje).
In dit geval moet een berekening gebaseerd op C30H50O25 met molaire massa 810 dan ook volledig goed gerekend worden. Dat levert overigens hetzelfde eindantwoord 1.102 op.

Bij vraag 4
Volgens het antwoordmodel staat er in het juiste antwoord maar één significant cijfer. Maar volgens de bij de bolletjes vermelde gegevens zouden dat er vijf moeten zijn want 5 is geen meetwaarde maar een getalswaarde. Gelukkig hoeft de significantie bij deze vraag niet beoordeeld te worden.

 

Bij vraag 5
De voorbeeldberekening in het antwoordmodel laat zien dat de energiewaarde van olie bijna negen keer zo groot is maar gevraagd wordt te laten zien dat de energiewaarde van de maltodextrine-water gel bijna negen keer zo klein is.
En de (non)bijdrage van water hoeft dus niet vermeld te worden?

Boven vraag 7
Zout is een macroniveauterm en ionen een microniveauterm. Een correcte formulering zou kunnen zijn:
.. is een zout dat (op microniveau) kan worden voorgesteld met een rooster waarin C22– ionen voorkomen.

Bij vraag 9
Een van de verschillen tussen vwo en havo is dat in de syllabus van vwo alkynen wel voorkomen en in de syllabus van havo niet. Wel vreemd om nu juist in het eerste examen havo naar een alkyn te vragen. Daardoor  lijkt het nodig om op havo toch ook maar de alkynen met een drievoudige C-C binding te behandelen.

Bij vraag 11
Wat betekent “helemaal” bij verpoederen?

Blijkens enkele voorbeeldantwoorden en het tweede bolletjespaar hoeft de conclusie “lager” niet in het antwoord vermeld te zijn, maar volgens andere voorbeeldantwoorden en het eerste bolletjespaar wel. Dat is verwarrend.

Bij en boven vraag 13
Door de macroniveauaanduiding “stofdeeltjes van calciumhydroxide” ligt bij vraag 13 ook een antwoord op macroniveau voor de hand. Het zijn inderdaad calciumhydroxidedeeltjes (korreltjes) die een basische oplossing opleveren als ze met oogvocht in aanraking komen. Het antwoord Ca(OH)2 is hier dus ook correct (en in BINAS-tabel 45A kun je aflezen dat die stof matig oplost in water).
Als je per se als antwoord OH wilt moet je naar microniveaudeeltjes vragen.

Bij vraag 14
Waarom is in het antwoordmodel de structuurformule van water wel gebogen getekend en die van waterstofperoxide niet?

Bij vraag 15
In de voorbeeldantwoorden staat bij de uitkomst een – maar gezien de stappen in de sets van drie bolletjes levert een antwoord na een berekening zoals “er komt dus 0,98.105 J per mol vrij” ook drie punten op.

Bij vraag 19
Hoewel in de vraag expliciet gevraagd wordt te beredeneren aan de hand van reactie 2 hoeft dat blijkens het antwoordmodel toch niet want daarin wordt nergens naar reactie 2 verwezen .

Bij vraag 22
Om associatie met positief (of negatief) geladen elektrodes te vermijden zijn termen als “pluspool” of “elektrode met de hoogste potentiaal” misschien geschikter?

Bij vraag 25
De hoeveelheid koolstofdioxide die wordt geproducéérd is in beide gevallen gelijk en wat dat betreft kun je dus geen voorkeur uitspreken.
Er is pas een verschil als je er ook bij betrekt hoeveel (en/of wanneer) er koolstofdioxide er verdwijnt bij de “productie” van aardgas respectievelijk biogas. Om het in het antwoordmodel vermelde voorbeeldantwoord te krijgen had de vraag anders geformuleerd moeten worden.

Bij vraag 30
Bij uitgangspunt 1 is sprake van het voorkomen van de vorming van afval. In het antwoordmodel wordt DEG afval genoemd maar blijkens de tekst onder vraag 27 kan dat worden verkocht, het is dus geen afval.
CO2 als afval is in dit geval (ver)gezocht.
Gaat uitgangspunt 3 hier wel op? Bij OMEGA is een extra reactor nodig dat betekent meer materiaal om die te maken. (Is dat niet ook een gezocht argument?)
Misschien uitgangspunt 12? Dan hoef je geen brandbaar DEG te destilleren en dat is dus veiliger.

Boven vraag 34
Onzorgvuldig taalgebruik:
De bindingen geven Twaron geen eigenschappen maar “de eigenschappen van Twaron kunnen verklaard worden met (deze) bindingen.” En dan: “De deeltjes waarmee men Twaron op microniveau beschrijft  worden behalve met waterstofbruggen nog met twee andere soorten bindingen bij elkaar gehouden.”