Bijlage 8 Actuele en maatschappelijk relevante contexten
Voorbeelden
Uit Module 1 Practicum 7A
7A.3 Na het tijdperk van de ponskaarten werden data in computers ingevoerd met diskettes, aanvankelijk zachte
floppy discs, daarna harde diskettes. Daarop is de informatie opgeslagen met behulp van magnetische schakelaars.
a. Heb je ooit gewerkt met een computer met een disk-drive?
Meer informatie over (de werking van) informatie-overdracht met diskettes kun je vinden bij het beeldmateriaal bij deze module (of via de link http://www.icer.nl/tutorials/hardware/hoe_werkt_een_diskette.php).
Tegenwoordig wordt informatie digitaal opgeslagen en ingevoerd met DVD’s en CD’s.
b. Van welke woorden zijn DVD en CD een afkorting?
Hieronder zie je een met een microscoop gemaakte foto van
een stukje van een DVD. Daarop is de informatie opgeslagen op een manier die,
net als bij ponskaarten, optisch kan worden uitgelezen.
Bij ponskaarten zijn het gaatjes in de kaart, bij DVD’s zijn het bultjes en
putjes op en in de DVD.
Aan de hand van de grijsschaal naast de foto kun je de hoogteverschillen berekenen, maar dan moet je wel weten dat nm nanometer betekent. Het voorvoegsel nano (bij meter) betekent 0,000000001 (meter).
c. Leid uit de grijsschaal af hoe dik een DVD minimaal is. Druk de dikte uit in nanometer, in millimeter en in meter.

Bij het gefotografeerde stukje DVD zijn de afmetingen uitgedrukt in mm = micrometer. Het voorvoegsel micro (bij meter) betekent 0,000001 (meter).
d. Bereken het oppervlak van het gefotografeerde deel van de DVD. Druk het oppervlak uit in mm2, in mm2 en in m2.
Meer informatie over opslag en uitlezen van DVD en CD kun je bijvoorbeeld vinden bij het beeldmateriaal bij deze module (of via de link
http://www.fransvaneeckhout.be/bijleren/beeld_dvd03.htm.
Sinds ongeveer 2005 is het flashgeheugen als manier van externe informatie-opslag en -invoer in zwang gekomen.
e. Wat betekent in zwang komen?
Je kent zo’n flashgeheugen waarschijnlijk in de vorm van een USB-stick.
f. Wat betekent de afkorting USB?
g. Ga jij opzoeken hoe een flashgeheugen werkt?
Uit Module 2 Practicum 7A
7A.3 In onderstaande tekening uit de
Volkskrant van 15 juli 2011 wordt een bepaalde manier van beleggen uitgelegd.
Met beleggen wordt hier de economische vakterm bedoeld en niet de huis-, tuin-
en keukenterm.
a. Wat betekent beleggen in htk-taal?
Deze economische constructie heet hefboombelegging.
b. Leg uit waarom deze constructie een hefboombelegging genoemd wordt.
c. Leg uit of in dit geval de hefboomregel ook kan worden toegepast.
Uit Module 3 Practicum 4A
4A.4 In practicum 2A heb je een verdeling gemaakt vanuit het gezichtspunt voorwerp (= “ding”) en stof (of mengsel
van stoffen) (= “spul”).
a. Verdeel vanuit dit gezichtspunt:
tandpasta, tanden, wasmiddel, kledingstuk, afwasmiddel, pannen, borden, alcohol.
Hieronder staat een lijstje met wat een tijdje geleden allemaal bij KCA gereken moest worden.

b. Wat betekent KCA ook al weer?
Boven de lijst met wat in de milieubox hoort staat dat het om stoffen gaat, maar dat is niet juist. Zo staan er onder het kopje “Kantoor” twee voorwerpen.
c. Welke twee voorwerpen zijn dat?
d. Noem nog twee andere voorwerpen uit de hele lijst.
Met name aan sommige in de lijst genoemde voorwerpen kun je zien dat het een lijst is van al wel zo’n tien jaar geleden.
e. Noem een voorwerp uit de lijst waaraan je kunt zien dat die al wel zo’n tien jaar oud is.
Kun je via internet snel de actuele lijst vinden waarin staat wat in jouw gemeente op dit moment bij KCA gerekend moet worden?
f. Schrijf dan het internetadres op waar je die lijst gevonden hebt.
Uit Module 4 Practicum 5A
5A.3 Met de elektriciteitsmeter in jullie meterkast wordt NIET de stroomsterkte gemeten. Er gaat namelijk precies evenveel elektrische stroom jullie huis uit als er inkomt.
Er is juist een probleem met jullie elektrische huisschake-
ling als de binnenkomende hoeveelheid elektrische stroom
niét gelijk zou zijn aan de uitgaande hoeveelheid.
Maar gelukkig zit er een aardlekschakelaar in jullie meterkast die op tilt slaat
als er een verschil is tussen de inkomende en uitgaande hoeveelheid.
a. Zie je de aardlekschakelaar in jullie meterkast?
Vraag aan je ouder/verzorger hoeveel keer per jaar die aardlekschakelaar bij jullie thuis getest wordt.
b. Hoeveel keer per jaar wordt bij jullie thuis de aardlekschakelaar getest?
c. Waar komt de elektrische stroom eigenlijk vandaan als die bij jullie het huis binnenkomt?
d. En waar gaat die naar toe als die stroom jullie huis weer verlaat?
Uit Module 5 Practicum 8A
8A.1 In practicum 2A van module 4 heb je thuis gezocht naar een hotelschakeling en naar een trektouwschakelaar.
In practicum 4A en in practicum 5A van diezelfde module heb je de elektriciteitsmeter afgelezen.
In practicum 5A heb je ook de aardlekschakelaar bekeken.
a. Wordt het vak science voor jou interessanter als het gaat over onderwerpen waar je thuis mee te maken hebt?
b. Noem nog twee science(achtige) onderwerpen waar je ook wel iets over te weten zou willen komen.
8A.2 Hieronder zie je de verpakking van een spaarlamp.

a. Hoeveel spaarlampen gebruiken jullie thuis op dit moment?
Hieronder is een gedeelte van de verpakking vergroot afgedrukt. Met symbolen worden eigenschappen van de spaarlamp aangeduid.

b. Waaraan zie je dat het een energiezuinige lamp is?
c. Waaraan zie je dat je een kapotte spaarlamp niet zo maar met het gewone afval weg mag gooien?
Jan denkt dat een kapotte spaarlamp niet bij het gewone afval mag omdat die in de glasbak moet.
d. Vind jij dat een spaarlamp in een glasbak moet? Waarom wel of waarom niet?
Sofie denkt dat de spaarlamp KCA “is” en daarom niet bij het gewone afval én ook niet in de glasbak mag.
e. Kende jij de afkorting KCA voor klein chemisch afval al?
Lees op de volgende bladzijde het artikel “Minder kwik in milieu door spaarlampen” uit NRC Handelsblad van 13 juli 1995.
f. Waarom hoort een spaarlamp bij KCA?
g. Leg aan de hand
van gegevens uit het artikel uit hoe het komt dat een gloeilamp zónder kwik
toch meer kwik-vervuiling oplevert dan een spaarlamp mét kwik.

Uit Module 6 Practicum 4A
4A.3
Als je met een karretje
een supermarkt binnengaat,
passeer je meestal een klaphekje:
a. Vind je zo'n klaphekje een voorbeeld van een ventiel? Waarom wel of waarom niet?
In sommige straten zie je aan de ene kant een vierkant verkeersbord met een witte pijl en aan de andere kant een rond verkeersbord met een witte streep.


b. Welke kleur heeft de rest van het vierkante verkeersbord?
c. Welke kleur heeft de rest van het ronde verkeersbord?
d. Is er hier sprake van een ventiel? Waarom wel of waarom niet?
Volgens de omschrijving in het woordenboek zijn het klaphekje en de verkeersborden hierboven geen ventielen.
e. Leg uit dat het toch geen onzin is als je bij a en d "ja" als antwoord hebt opgeschreven.
Hieronder zie je een tekening van een sluis waarin schepen geschut kunnen worden.

f. Heb jij wel eens een schip geschut zien worden? (Misschien moet je schutten of schutsluis even opzoeken in een woordenboek?)
g. Vind je een schutsluis een voorbeeld van een ventiel?
Waarom wel of waarom niet?
Zou je graag meer weten over sluizen? Kijk dan bijvoorbeeld eens op http://www.ontdekplek.nl/ontdekplek/animaties/12-sluis. Of misschien kun je bij jou in de buurt een sluis in werking zien? Vraag er je docent voor het vak science naar.
h. Ga jij dat doen?
Uit Module 7 (= ns-module 5)
Practicum 1
1.2 Lees het artikel “`Mug` verjaagt hangjongeren” uit het Algemeen Dagblad van 26 april 2006. (Vraag aan je begeleder waar je dat artikel kunt raadplegen.)
a. Schrijf de betekenis op die onderstaande woorden in
de context van het artikel hebben:
irritant, doorslaand (succes), passanten, calamiteiten.
b. Had je voor de beantwoording van vraag a een woordenboek nodig?
De woorden “hoogfrequent”en “decibel” uit het artikel hebben met geluid te maken. Het is niet erg als je niet precies weet wat daarmee wordt bedoeld . In deze module krijg je er meer informatie over.
c. Schrijf uit het artikel nog vijf woorden op die iets met geluid te maken hebben.

Uit Module 8 Practicum 6A
6A.3 In BINAS-tabel 31 staat voor elke
planeet de gemiddelde dichtheid vermeld.
In het rijtje planeten staat
Pluto er nog bij maar de
Internationale Astronomische
Unie heeft in 2006 vastgesteld dat Pluto (en ook Ceres) voortaan tot de
zogenaamde dwergplaneten gerekend moeten worden.
a. Waarom rekent de IAE Pluto
niet meer bij de planeten? (Zoek je zelf een bron waarin je dat opzoekt of
raadpleeg je de informatie over Pluto bij deze module?)
b. Welke van de nog
resterende acht planeten heeft de grootste dichtheid?
c. Reken die (grootste)
dichtheid om naar de eenheid gram per cm3.
Van de acht planeten in ons
zonnestelsel worden er vier bij de (grote) gasplaneten gerekend.
d. Welke vier zijn dat?
Licht toe hoe je aan je antwoord komt.